Review: Sigur Rós - Valtari
Over opnameprocessen hoorde je de IJslanders van Sigur Rós eigenlijk nooit uitgebreid. Maar het staat vast dat het maken van Valtari een zware bevalling was. Discussies over de te volgen koers waren er volop, zeker na het luchtiger solowerk van zanger Jónsi Birgisson. En op gegeven moment ging een eerste reeks opnames alsnog pardoes de prullenbak in.
Maar uiteindelijk werd de koers hervonden, om uit te komen bij een geluid als tegenpool van behoorlijk uitbundige en toegankelijke voorganger Með suð í eyrum við spilum endalaust uit 2008. ‘Minimaal’, ‘introvert’, ‘floaty’ en ‘ambient-achtig’ waren de termen waar in de herfst van 2011 al over werd gesproken. Niets van gelogen, zo blijkt bij intensieve beluistering van het acht nummers tellende Valtari, maar van een topzwaar, vermoeiend of lastig te doorgronden album (zoals ( ) ooit enigszins was) is gelukkig geen moment sprake. De nog altijd unieke geluiden die Sigur Rós in de studio creërt blijven op de mooiste momenten betoveren en de meeste composities hebben nog altijd overzichtelijke songstructuren.
Sterker nog: in plaats van nieuwe wegen op te zoeken zoals op praktisch alle voorgaande Sigur Rós-albums, klinkt de band hier eigenlijk zeer vertrouwd, zij het op een iets ingetogener manier dan op de oudere platen Ágætis Byrjun of Takk. Heftiger noise-achtige passages die de betovering soms zo lekker ruw doorbreken of zwaarder drumwerk zijn hier zo goed als afwezig, of het moet in het ouderwets subliem opgebouwde Varúð zijn. Hierin bouwt Sigur Rós vanuit enkele ‘onder water’ gespeelde pianoklanken, strijkers en de bekende uithalen van Jónsi vertrouwd knap op naar een groots crescendo van diverse emoties oproepende zangmelodie, ijle en overstuurde gitaren, aanzwellende drums en een kinderkoor in de verte.
Twee rustiger knisperende nummers gaan als opening van Valtari vooraf aan dit hoogtepunt: het heel kalm openende Ég Anda en het eerder gehoorde Ekki Múkk, een nummer dat op de eerste helft van ( ) had gepast en wordt gedragen door rustige piano-akkoorden en doorspekt met het gekraak van een oude grammofoonplaat. Het sacrale Dauðalogn is dat andere mooiste nummer van Valtari dat de introverter tweede helft van de plaat inleidt, wederom gedragen door strijkers en – terrible cliché alert! – Lord of the Rings-achtige koorzang.
Een tweede helft waarvan het pas na enkele luisterbeurten tot je doordringt dat de laatste twintig minuten eigenlijk nagenoeg Jónsi-loos zijn. Het zachtjes wiegende Varðeldur, het experimenteler titelnummer ingekleurd met dwarse percussie, ambient-klanken en belletjes en wel heel sober pianostuk Fjögur Píanó zijn instrumentale stukken die subtiel aanzwellen en wegebben. Het zijn composities die vooral drijven op een warme sfeer en meer in de buurt komen van Riceboy Sleeps, het project van Birgisson met zijn vriend Alex Somers.
Dit alles maakt van Valtari op zichzelf een volgend onbetwist móói Sigur Rós-album. En inderdaad, hier volgt een maar. In plaats van wederom een andere weg te kiezen of enkele nieuwe dingen uit te proberen, is de band hier ondanks (of toch vanwege?) die problematische eerste opnames te veel in de eigen comfort zone blijven hangen. Dit vertaalt zich naast die voor deze band grote herkenbaarheid in enkele melodielijnen, geluidseffecten (die stemflarden in Varðeldur) of typische akkoordenwisselingen die je al eerder gehoord hebt. Leg hiervoor Rembihnútur bijvoorbeeld eens naast de klank van Glósóli op Takk.
Maar het zijn niet eens herhalingen van zetten die het grootste probleem vormen: ondanks een wat rustiger basis en genoeg details in de verschillende stukken, is het toch dat stukje hemelbestormende bezieling dat je wel op de vorige platen aantrof, maar wat hier ontbreekt. En ook de relatief marginale rol voor zanger Jónsi in de 54 minuten muziek die Valtari klokt, speelt een rol. Nog altijd is er op deze wereld geen band die klinkt als Sigur Rós en alleen al daarom is Valtari nog steeds een uniek album in het muzieklandschap anno 2012. Wéér een fraai album dus, dat staat buiten kijf. Maar naar Sigur Rós-maatstaven is het allemaal net een tikje te vertrouwd en onvoldoende overweldigend om dit keer echt indruk te maken, zoals alle vorige albums dat wel deden.
Sigur Rós geeft op 28 en 29 augustus twee uitverkochte concerten in de Amsterdamse Paradiso.



