concertverslag, nieuws

London Calling, dag 2: verbazing bij intense Willis Earl Beal, losse jazzy pop van King Krule

Joris, Maandag 21 05 2012, 13:11

London Calling, dag 2: verbazing bij intense Willis Earl Beal, losse jazzy pop van King Krule

Willis Earl Beal

Is jaren niet voorgekomen in de recentere geschiedenis van London Calling: een niét uitverkochte avond. Tot afgelopen zaterdag, waar de festivalbezoeker in de zalen opvallend veel persoonlijke ruimte had. Misschien zelfs wel wat te veel... Naar de exacte redenen hiervoor blijft het een beetje gissen: vinden verstokte fans van ‘zeven-jaar-geleden'-britpop te weinig van hun gading en blijven er dus meer weg? Er was voetbal, zou dat invloed hebben? En ja, het programma op de vrijdag van deze editie was op papier en uiteindelijk in de praktijk ook een stuk sterker (met oa. Grimes, Breton, Oberhofer, Howler en Austra).

Maar de zaterdag biedt in elk geval een paar prima Engelse bands in opkomst (Clock Opera, Spector), minstens één zo’n nieuwe ontdekking waarvoor je naar dit festival gaat (dit keer King Krule) en één verbijsterende acts die er al vroeg in de avond een diepe indruk achterlaat: dat is de in alle opzichten onorthodoxe soulzanger Willis Earl Beal.

De donkere man uit Chicago met grote zonnebril bestijgt het podium tien minuutjes na de prima opening door Londens bandje China Rats (frisse jongens, vlot tempo, leuke liedjes, hitje To Be Like I, wel al 8600 keer gehoord) en zal binnen luttele minuten de meeste verbaasde blikken in de kleine zaal van de avond op zich gericht krijgen. Zeker als hij na een mompelend intro’tje er vanuit het niets hondsrauw een a capella soulstuk uit perst met grommende timing en een uithalen waar je eng van wordt. Dan mag het witte laken van zijn belangrijkste ‘instrument’ af: een oude taperecorder die de meeste van zijn tracks afspeelt.

Van wonderlijk, extreem lo-fi debuut Acousmatic Sorcery komt amper muziek voorbij: Willis Earl Beal is in zijn hoofd al veel verder dan die plaat met het bijbehorende goede verhaal en verbaast met brokken angstaanjagende, tegendraadse muziek, waarin stokoude soul- en folkklanken worden vermengd met aardsdonkere beats en ambient-achtige lagen. Die dwarse pianopolka die zo zestig, zeventig jaar oud lijkt zal ons nog lang heugen. Beal is het ene moment de soepele soulzanger, maar zet net zo goed een brul op die Tom Waits nog de boom in zou jagen. Jawel, theatraal is Beal ook zeker, zoals hij als een roofdier in slow motion heen en weer loopt op het podium , een nummer op zijn stoel vertolkt met wit laken om zich heen (iedereen kijkt omhoog) of onverwacht een karatetrap aan de lucht uitdeelt, intussen zwetend als een otter. Meer performance art dan een ‘muziekoptreden’ wellicht, maar zo intens en goed gezongen dat je dit na afloop alleen maar nog eens wilt meemaken. Komende zaterdag 26 mei op Le Guess Who? May Day in Utrecht bijvoorbeeld.

Het is vervolgens na zo’n instant hoogtepunt nogal een flinke stap naar de ettelijke malen toegankelijker muziek van het Londense Clock Opera. Die zit qua intenties en intelligentie in de goede hoek van een kamertje waar je lieden als Elbow, The National of een vroegere versie van Coldplay kunt ontmoeten. Vooral bebaarde frontman Guy Connelly is de opvallende verschijning binnen dit kwartet, dat liedjes speelt van onlangs verschenen debuut Ways To Forget. Nummers die dankzij veel ideetjes vernuftig in elkaar steken, maar het zijn enkel singles Belongings (met mooi, lieflijk pianomotiefje) en plaatopener Once And For All die ook live echt een indruk achterlaten. Er gebeurt veel in de overige nummers, maar die missen de emotionele reikwijdte van die hoogtepunten. Connelly kent als zanger en charismatische frontman bovendien nog zijn beperkingen voor dit soort muziek, die instant meeslepend dient te zijn om perfect te kunnen werken. Die paar saaie liedjes moeten er dan uit. Dat wil echter nog niet zeggen dat we over een jaar alweer van Clock Opera af zijn.

Net als Clock Opera ook eerder dit jaar op Eurosonic te zien geweest: de zes jonge Noren van Team Me. Het ziet er vanaf het begin vrolijk uit op het podium: kleine jongens met haarbandjes, een huppelmeisje achter met vlaggetjes versierde keyboards en enkele upbeat liedjes als opening, inclusief single Show Me. Liedjes die qua geluid en sfeer érg nadrukkelijk geleend zijn van Arcade Fire en Los Campesinos! overigens. Opbeurend werkt het wel, ondanks het logge zaalgeluid van de bassdrum die consequent te hard staat. Maar Team Me wil meer: een minuten lang rustig voortkabbelend en langzaam aanzwellend stuk postrock spelen bijvoorbeeld, inclusief gitaarnoise-climax. Best spannend uiteindelijk, maar lang niet zo goed als genrebands in deze hoek. Het past ook niet zo goed bij het plaatje van blije muzikanten met die gekleurde slingers op het podium; de twee springerige liedjes waarmee alsnog besloten wordt werken dan toch beter.

Veel bezoekers zijn echter al de rookruimte ingejaagd. Of naar de intussen goed volle bovenzaal voor de vlotte keurige jongens-popliedjes met een snufje soul van Electric Guest uit Los Angeles. Een échte band voor de meisjes onder u, met soepel swingende, vriendelijke liedjes en een goedlachse zanger die lekker veel door zijn haar aait. Akkoord, beetje flauw: er is weinig af te dingen op goede, luchtige singles als This Head I Hold of American Head, die live nog wat minder gelikt klinken dan de studioversies op debuut Mondo (productie: Danger Mouse). Ook de overige nummers blijven goed hangen, wat doet vermoeden dat we Electric Guest in de loop van dit jaar nog vaker gaan terugzien.

Vervolgens lijkt de dreampop van het New Yorkse Porcelain Raft in de grote zaal de vreemde eend in de bijt, maar dan wel in de positieve zin des woords. De fraaie liedjes op debuut Strange Weekend mogen dan in de hippe dreampopstijl gegoten zijn, op de plaat wordt voor dit genre de beat geregeld net wat dikker aangezet. En live al helemaal, al hadden ook voorgaande acts Team Me en Clock Opera te kampen met te veel bas. Dit is niet het enige dat misgaat bij dit lomp klinkende, maar ook rommelige optreden. De van oorsprong Italiaanse Mauro Remiddi – met een zangstem die live plotseling wat wegheeft van Richard Ashcroft – heeft als begeleiding enkel een drummer met een opmerkelijke stijl bij zich. Zonder koptelefoon of clicktrack zit hij in de eerste helft van de set wel heel vaak pijnlijk naast de beats uit de samplers, zodat de uitvoeringen van Drifting In And Out of Picture houterig klinken. Zonde van zulke liedjes, al komt een en ander nog goed in de tweede helft, met Put Me To Sleep, Spectoriaanse ballad The Way In en een stevig klinkend Unless You Speak From Your Heart. Van de subtiliteit op die mooie plaat blijft live echter geen spaander over: Porcelain Raft verzuipt zodoende jammerlijk in een leeglopende grote zaal.

Zo heeft het Canadese Hooded Fang direct een volle kleine zaal voor zich, voor een heel plezierig half uurtje springerige rammelpopliedjes met duidelijke jaren zestig-tic, waarvan er veel op leuke, spontane nieuwe plaat Tosta Mista staan (Clap! ESP!). Vrolijke jongens op het podium ook, en een huppelmeisje die goed weet wat ze met haar basgitaar aanmoet. Die ene ballade tegen het einde van de korte set duurt dan wat te lang en heeft net te veel weg van een klassieke Hollandse smartlap – we zongen bijna al Je Loog Tegen Mij van Drukwerk mee -, maar een vol met nerveuze jankgitaren gestopte afsluiting maakt dit weer helemaal goed. Hooded Fang speelt gelijktijdig met Chelsea een gewonnen wedstrijd.

Gepromoveerd van de kleine (tijdens de vorige London Calling) naar de grote zaal; de net niet té netjes in het pak zittende vijf Britten van Spector, met aan het hoofd bebrilde showman Fred MacPherson. Herhalen ze het kunstje van de vorige keer, toen Spector onverwacht een van de spontane hoogtepunten van de avond was? Helaasch. De band heeft beslist enkele heel sterke singles: openen met What You Wanted (right now!) blijkt een gewaagde zet. Dit had een momentje kunnen zijn waarop de hele grote zaal het op een hossen zet, maar niet iedereen is direct bij de les. Daarbij is het geluid in eerste instantie een zooitje (wat is dat vanavond?), met amper hoorbare drums en Fred ergens achterin de brij van gitaren. Spector vervolgt de set degelijk met een reeks gevatte gitaarpopliedjes ergens tussen Kaiser Chiefs, The Killers en Pulp zonder de diepgaande laag in, maar de frisheid die er een half jaar geleden nog vanaf straalde, is nu al verdwenen. Wel is er nog killersingle Chevy Thunders die de voorste rijen laat stuiteren en alsnog zorgt voor een memorabel London Calling-momentje. Maar hoe ver gaan die paar singles Spector nog helpen komen?

Waarschijnlijk niet zo ver als King Krule: hét nieuwe Engelse bandje van de avond waarvoor je graag London Calling bezoekt. Amper achttien jaar is ‘ie, de Engelse, roodharige knul Archy Marshall. Maar als King Krule laat hij met drie heel smooth en losjes spelende begeleiders al heerlijk in het gehoor liggende, jazzy indiepopliedjes horen. Die klinken bovendien alweer flink anders dan zijn vijf tracks tellende, nog niet héél opmerkelijke debuut-EP van vorig jaar. Marshall is bepaald geen zangwonder, maar zijn als een echte geezer, met vet accent gezongen teksten (denk een beetje Mike Skinner of een soort subtiele Audio Bulleys) hebben in combinatie met dit relaxte geluid beslist hun charme. Goed gedaan, dus klagen we nog niet te hard over een totaal gebrek aan variatie: laat King Krule maar nog meer optreden en in deze stijl een volwaardig debuut afleveren. Zijn we vanaf nu zéér benieuwd naar.

Laat op de avond is het dan echt tijd voor ‘van dik hout zaagt men planken’, met eerst DZ Deathrays uit Australië, dat met z’n tweeën loeiharde, smerige en trashy rock ‘n’ roll speelt zonder ook maar een momentje rust te houden. De in dikke distortion gedrenkte baslijnen die de Deathray op links uit zijn gitaar en effectpedalen tovert, roept herinneringen aan Death From Above 1979 op, zonder echter aan dit Canadese duo te tippen. Daar zijn de nummers zelf en de vaker gehoorde riffs niet verrassend en gemeen genoeg voor, ook al slaat die andere langharige Deathray op rechts nog zo grondig zijn crash bekkens aan gort. Voor dit moment geeft DZ Deathrays wel precies de schop onder de kont die we even nodig hebben.

Maar even later om precies kwart voor twee ’s nachts is daar een tweede luid duo dat met slechts twee man sterk wel écht overweldigt met een loepzuiver monstergeluid: Japandroids uit het Canadese Vancouver, waarvoor het binnenstromende uitgaanspubliek nog even dekking zoekt. Zanger en gitarist Brian King tovert die killer sound uit zijn gitaar met behulp van twee gigantische gitaar- en basversterkers achter zich, terwijl je het opgefokte, punky drumwerk wel aan David Prowse kunt overlaten. Van nieuwe, over enkele weken te verschijnen plaat Celebration Rock komt nog niet veel voorbij, al wordt wel nieuwe single en gigantisch klinkende rocker The House That Heaven Built al goed meegebruld. Net als vroegere singles en tracks van debuut Post-Nothing dat voor de moshende fans vooraan gefundenes fressen is: Wet Hair (Let’s go to France so we can french kiss soms French girls!’) en de monsterriff van Young Hearts Spark Fire. Klein minpuntje dan? King moet na elk liedje langdurig stemmen, en dat haalt de vaart er op dit late tijdstip jammerlijk uit. Voor het overige: hét heftige slotakkoord dat zo’n net wat wisselvalliger London Calling-avond moet hebben; Japandroids ondergaan we graag snel nog eens bij een eigen show.

Zien we Grimes en Zulu Winter nog eens terug in de grote zaal van Paradiso? Wat gaat er van King Krule worden de komende tijd, die ook op North Sea Jazz niet zou misstaan? Interessante vragen voor over een half jaar, als een tweede aflevering van London Calling ongetwijfeld weer volgt.

Foto Spector: Leonie Jansen.

, , , , ,

Momentje, de reacties worden opgehaald...

Reageer
Je reageert op ..
Van




Inhoud