Review: Gillian Welch - The Harrow & The Harvest
Al even uit, maar te mooi om dan maar straal te negeren en bovendien een langzaam binnendringende groeiplaat: The Harrow & The Harvest, het vijfde soloalbum van countryzangeres Gillian Welch. Even leek het er ernstig op dat deze dame nooit meer muziek onder haar eigen naam zou maken: haar vorige album Soul Journey dateerde alweer van 2003 en deed ietsje onder voor meesterstuk Time (The Revelator) van enkele jaren daarvoor.
Recentelijk was ze echter nadrukkelijk aanwezig op het jongste album van The Dave Rawlings Machine (van haar echtgenoot en muzikaal partner Dave Rawlings, vorig jaar ook op Take Root in Groningen) en ook zong ze mee op zes nummers van het jongste The Decemberists-album The King Is Dead. Dat deed opnieuw hopen op een terugkeer, die gelukkig ook al snel werd aangekondigd. Maar dat deze terugkeer na acht jaar dankzij de tien liedjes op The Harrow & The Harvest zó glansrijk en indrukwekkend zou uitpakken, hadden we ook weer niet verwacht. Minimale middelen hebben zelden zo'n maximale impact.
Welch mag dan uit Nashville, Tennessee komen, met de veelal gladdere countrypop die in dit epicentrum van de Amerikaanse countrymuziek wordt geproduceerd, heeft ze nooit iets te maken gehad. Dat er op al haar platen sporadisch iets steviger gerockt mocht worden, inclusief knipogen naar de blues, maakte haar al helemaal tot een buitenbeentje voor die scene. Soberheid tot op het bot is echter de rode draad op The Harrow & The Harvest, dat op het eerste gehoor wel héél kalm doch aangenaam voortkabbelt. Schijn bedriegt echter zelden zo hard.
Meer dan twee (akoestische) gitaren of een enkele banjo per liedje hebben Welch en de net als op haar vorige platen meespelende en –zingende Rawlings niet nodig. Welch’ eigen ingetogen stem, met nog altijd die intrigerende mengeling van beheersing, een zekere onverschilligheid en treurnis erin verscholen, en incidenteel wat achtergrondzang van Rawlings doen de rest, zonder dat er ook maar enige overdreven vocale acrobatiek aan te pas komt.
Het effect van deze minimale middelen groeit per luisterbeurt. De twee gitaarpartijen in de tien zonder uitzondering prachtige liedjes vullen elkaar zeldzaam knap aan, wat iedere keer weer een stukje meer opvalt. De zangmelodieën van Welch en haar soms antiek aandoende verhalen afkomstig uit een oud Amerika (zie het wat lichtere folkliedje Six White Horses, Scarlett Town of de trage ballade Down Along The Dixie Line) dompelen je langzaam maar zeker onder in een bad van warme melancholie. Een enkele keer mag de toon iets rauwer zijn, in de portretten van een alledaags Amerika op het platteland in The Way It Goes.
Het hoogtepunt op dit gebied zit precies halverwege, in de zesenhalve minuten van Tennessee, over de verwachtingen die er ooit waren van een jong meisje, en hoe die door één man naar ‘het verkeerde pad’ is gebracht. Het is ontroerend hoe een op papier luchtig stukje tekst zo weemoedig gezongen kan worden. “Fa la la la, fa la la lee. Now let me go, my honey oh, back to Tennessee.” Slotstuk The Way The Whole Thing Ends kan daar bijna aantikken; lome countryfolk zoals die in de jaren dertig al op krakende radio’s te horen was, maar dan met de kristalheldere klank uit een studio anno 2011.
Muziek waarvan je spontaan zin krijgt om een houten veranda tegen je huis aan te bouwen, gelijkvloers appartement in Nederland op drie hoog of niet. Een even ultiem als intiem countryfolkalbum. En misschien wel Gillian Welch’ mooiste sinds haar debuut Revival uit 1996. Wie had dat gedacht na een pauze van zeven jaar.


